

Pas in de 19e eeuw lagen er plannen op tafel die technisch en financieel uitvoerbaar waren. Hierbij speelde vooral de Zuiderzee Vereeniging een zeer belangrijke rol. Deze vereniging liet eerdere aannames van de ingenieurs J. van der Toorn en C. Lely op hun waarde onderzoeken. En maakte de resultaten van deze onderzoeken publiek. Die publieke aandacht voor de plannen groeide naar ongekende hoogten toen de watersnoodramp van 1916 voor veel rampspoed zorgde. Iets waar de Zuiderzee Vereeniging handig op inspeelde… Met resultaat. Op 14 juni 1918 was de Zuiderzeewet (Wet tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee) een feit.
Plannen vragen om uitvoering. En dus beleefde op 1 mei 1919 de Dienst der Zuiderzeewerken haar oprichting. Om een jaar later te beginnen met de inpoldering. Als eerste was de dijk naar het toenmalige eiland Wieringen aan de beurt. Daarna werd het even stil rond de inpoldering. De oorzaak? Economische malaise. Gelukkig kon de Dienst snel de draad weer oppakken. Onze regering besloot toch dat er toch met volle kracht Zuiderzeewerken moest worden doorgewerkt. En zo ontstond de Afsluitdijk, het pronkstuk van de Nederlandse weg- en waterbouw. De Wieringermeerpolder viel in 1930 als eerste van de vijf aan te leggen polders droog. Twee jaar later dichtten de arbeiders laatste gat in de Afsluitdijk. We namen afscheid van de Zuiderzee. En verwelkomden het IJsselmeer.
De Noordoostpolder zou de eerste echte IJsselmeerpolder worden. Het dijktraject werd gekozen. En op 3 oktober 1939 gaven de Burgemeesters Keijzer van Urk en Krijger van Lemsterland elkaar een hand op het enkele minuten daarvoor gesloten gat in de dijk. Urk was eiland af. Een emotioneel moment voor de plaatselijke bevolking.
